Ter gelegenheid van de priesterwijding van 29 juni 1982 in Ecône

Dierbare Broeders, dierbare Vrienden,

Weer zijn we in Ecône bijeen om deel te nemen aan die zo ontroerende plechtigheid van de priesterwijding. Ja, als er één ceremonie is die ons de meest verheden ogenblikken van de Kerk doet beleven, dan is ’t wel die van de priesterwijding. Die herinnert ons heel bijzonder aan het Laatste Avondmaal, waarbij Onze Heer Jezus Christus van Zijn apostelen priesters heeft gemaakt. De priesterwijding herinnert ons ook aan de uitstorting van de H. Geest over de Apostelen op de dag van Pinksteren. Zo wordt de Kerk voortgezet, zo blijft de H. Geest zich door de hand van de opvolgers der apostelen uitstorten. Vandaag hebben wij ’t geluk dat wij de priesterwijding mogen toedienen aan dertien nieuwe priesters.

Eigenlijk had er dit jaar geen priesterwijding mogen plaatshebben. Omdat de studieduur van vijf op zes jaar was gebracht, moesten de gevolgen daarvan zich in 1982 doen gevoelen. Maar bijzondere omstandigheden en oorzaken brachten mee dat wij vandaag toch zeven diakens van de Broederschap zullen wijden en zes andere uit verschillende zustercongregaties, die dezelfde strijd voeren als wij, met dezelfde overtuiging en dezelfde liefde voor de Kerk. Eergisteren heb ik de priesterwijding toegediend aan twee leden van de Priesterbroederschap in het distrikt Duitsland, wat dit jaar het aantal priesters op vijftien brengt.

Wij hopen dat Gods genade ons met het voortgaan der jaren een steeds groter aantal priesters schenkt, immers onze seminaries, in ’t bijzonder die van Duitsland en de Verenigde Staten, zullen de vruchten gaan afwerpen van het werk dat in de voorafgaande jaren is verricht. Het volgend jaar zullen in Ridgefield in de Verenigde Staten de eerste drie priesters worden gewijd. Dat is al gebeurd in het seminarie Zaitzkofen in Duitsland. Wij moeten bidden dat God die seminaries zegent en de kandidaten die er zich op het priesterschap voorbereiden overvloedig de genaden schenkt die ze nodig hebben.

Geliefde vrienden, die over enkele ogenblikken tot priester zult worden gewijd, ik ben er zeker van dat U vandaag meer dan ooit begrijpt, hoe U door die wijding wordt geplaatst in het hart van het Verlossingswerk van Onze Heer Jezus Christus. Door Zijn op het Kruis volbracht offer heeft Onze Heer zich in zekere zin ertoe verplicht om voor priesters te zorgen, om Zijn eeuwig Priesterschap te doen delen door hen die Hij zou uitverkiezen om Zijn offer, die bron van verlossingsgenade, voort te zetten. Want dat is het grote werk van God. God heeft alles geschappen voor de Verlossing. Dat is Zijn groot liefdewerk. God is liefde. Alles wat van God uitgaat is liefde.

Hij wilde ons vergoddelijken, ons die onmetelijke liefde meedelen die van eeuwigheid in Hem brandt. Die liefde heeft Hij ons willen meedelen en Hij heeft dat gedaan op een buitengewone wijze: door Zijn Kruis, door de dood van een God, door het Bloed dat Hij vergoten heeft. En Hij wilde, dat door Hem uitgekozen mensen dat offer voortzetten om Zijn goddelijke leven aan de zielen te geven, hen van hun fouten en zonden te genezen en hun Zijn eigen leven mee te delen, opdat wij eens door dat leven worden verheerlijkt, opdat wij met God in de eeuwigheid worden verheerlijkt. Dat is het werk van God. Daarvoor heeft Hij alles geschapen, heel de wereld die wij zien. Hij heeft dat gedaan voor het Kruis. Hij heeft dat gedaan voor de verlossing van de zielen. Hij heeft ’t gedaan voor het H. Misoffer. Hij heeft ’t gedaan voor de priesters. Hij deed ’t opdat de zielen zich met Hem kunnen verenigen, vooral met Hem àls offerlam in de H. Eucharistie. Hij deelt zich aan ons mee als Offerlam, opdat ook wij ons leven offeren met het Zijne en wij aldus niet alleen deelhebben aan onze eigen Verlossing, maar ook aan de Verlossing van de andere zielen. Dat plan van God, die gedachte van God die de wereld werkelijkheid deed worden, is iets buitengewoons. Wij staan verstomd tegenover dat grote mysterie dat door de goede God hier beneden werkelijkheid is geworden. En juist omdat het Offer van Onze Heer het hart vormt van de Kerk, omdat het de grondslag is van onze zaligheid en de kracht waaruit ons zieleleven put, daarom worden wij zo fel getroffen door alles wat het Heilig Misoffer treft. Wat het H. Misoffer treft, treft ieder van ons persoonlijk, omdat wij aan dat Offer moeten deelnemen voor het heil van onze ziel; omdat wij het Bloed van Jezus moeten ontvangen door het Doopsel, door alle sakramenten en vooral door het sacrament van de Eucharistie, als wij onze ziel·willen redden. Daarom zijn wij zo gehecht aan het H. Misoffer. En we hangen er nog meer aan, als men het wil manipuleren om het zogenaamd aannemelijker te maken voor hen die ons geloof niet hebben, die niet katholiek zijn. Alles wat men de laatste jaren aan het kostbaarste van de H. Kerk, de liturgie, heeft veranderd, is veranderd om ons dichter bij onze gescheiden broeders te brengen, d.w.z. bij hen die niet ons geloof bezitten. Dat heeft ons gemoed geschokt. Ook onze geest en ons geloof zijn getroffen en wij hebben ons afgevraagd: hoe is ’t toch mogelijk dat men de grootste, de meest mystieke, de schoonste en goddelijkste werkelijkheid van onze Kerk, de heilige katholieke Kerk van Rome, zo heeft verarmd dat etters erover kunnen beschikken! Dat hebben wij niet begrepen. Ontsteld hebben wij ons afgevraagd hoe clerici die de Kerk zijn binnengedrongen met opvattingen die niet met die van de Kerk te rijmen zijn, die echt niet gedreven werden door de H. Geest, die niet vervuld waren van de Geest der Waarheid maar van die van de dwaling, hebben kunnen opklimmen tot de hoogste top in de Kerk om ons “hervormingen” te brengen die haar verwoesten. Wat een mysterie! Hoe is dat mogelijk? Hoe heeft de goede God dat kunnen toestaan? Als wij overwegen dat Onze Heer al die beloften heeft gedaan aan Petrus en zijn opvolgers, aan de Kerk en aan alle opvolgers der apostelen, hoe kunnen we dan de werkelijkheid verklaren die zich in onze tijd aan ons voordoet? Wel te benijden zijn de gelovigen die vóór ons hebben geleefd en die ragen niet hoefden te stellen en op te lossen!

Ik wil proberen om U met enkele woorden enigszins duidelijk te maken wat naar mijn mening onze gedragslijn moet zijn temidden van de zo smartelijke gebeurtenissen die de Kerk treffen. Het komt mij voor dat men het lijden van de H. Kerk kan vergelijken met het lijden van Onze Heer Jezus Christus. Zie, hoe de apostelen zelf verstomd staan voor Onze geboeide Heer, die de verraderskus van Judas heeft ontvangen. Hij wordt weggevoerd. Hij wordt met een scharlaken mantel bekleed. Hij wordt bespot en geslagen. Hij wordt met het Kruis beladen, en de apostelen gaan er vandoor. Ze ergeren zich aan dat schouwspel. Het is toch niet mogelijk dat Hij, van wie Petrus heeft verklaard: “Gij zijt de Christus, de Zoon van God”, terecht komt in zulk een ellende en vernedering, in zulk een smaad en spot! Ze vluchten van Hem weg. Alleen de Maagd Maria met de H. Johannesen enkele vrouwen blijven bij Onze Heer en bewaren het geloof. Zij willen Hem niet in de steek laten. Zij weten dat Onze Heer waarlijk God is, maar ze weten ook dat Hij mens is. Juist die eenheid van godheid en mensheid in Onze Heer heeft buitengewone problemen veroorzaakt. Want Onze Heer wilde niet zomaar mens zijn. Hij wilde mens zijn zoals wij, met al de gevolgen van de zonde, maar zonder de zonde zelf. Al de gevolgen ervan heeft Hij echter willen ondergaan: pijn, vermoeienis, lijden, honger, dorst en de dood. zo groot dat de apostelen zich erover ergerden, en na hen vele anderen die zich van Onze Heer hebben afgewend of niet in Zijn goddelijkheid hebben geloofd.

Heel de kerkgeschiedenis door stoot men op personen die, verbaasd over de zwakke natuur van Onze Heer, niet geloofd hebben dat Hij God was. Zo Arius. Arius zei: Neen, dat is niet mogelijk. Die man kan niet God zijn, omdat hij gezegd heeft dat hij geringer is dan zijn Vader, dat zijn Vader groter is dan hij. Hij is dus kleiner dan zijn Vader. Hij is dus niet God. Bovendien, hij heeft de zo verwonderlijke woorden gesproken: “Mijn ziel is bedroefd tot de dood toe.” Hoe kan hij die de hemelse dingen zag, die God zag in zijn menselijke ziel en dus als mens meer verheerlijkt dan gebrekkig was, meer eeuwig dan tijdelijk (zijn ziel was al in de eeuwige gelukzaligheid), hoe kan die lijden en zeggen: “Mijn ziel” is bedroefd tot de dood toe? Hoe kan hij die verbazingwekkende woorden gebruiken waarvan wij moeten zeggen dat ’t ons nooit zou zijn ingevallen om ze Onze Heer in de mond te leggen: “Mijn God, mijn God, waarom· hebt ge me verlaten?” Dan, helaas, vindt de ergernis steeds meer ingang bij de zwakke zielen en kan Arius er bijna de hele Kerk toe brengen om te zeggen: Neen, die persoon is niet God.

Anderen reageren echter anders en zeggen: Misschien is alles wat Onze Heer heeft ondergaan, die stromen bloed, die wonden, dat kruis, misschien is dat allemaal verbeelding. ’t Zijn wel uiterlijke verschijnselen die zich hebben voorgedaan maar ze waren toch niet echt. ’t Is er wel mee gegaan als met de aartsengel Rafael, toen die Tobias vergezelde en tegen hem zei: “U dacht dat ik at, toen ik voedsel nam. Maar ’t is niet zo. Ik voed me met geestelijk voedsel”.

De aartsengel Rafael had geen lichaam, zoals dat van Onze Heer Jezus Christus. Hij was niet geboren uit de schoot van een aardse moeder, zoals Onze Heer uit de Maagd Maria geboren is. Maar misschien was Onze Heer toch zo ’n verschijning, die wel leek te eten, maar niet at, wel leek te lijden, maar niet leed. Zo dachten zij die de menselijke natuur van Onze Heer Jezus Christus ontkenden: de monofysieten en de monotheleten, mensen die de menselijke natuur en de menselijke wil van Onze Heer Jezus Christus loochenden. Alles was volgens hen God in Hem; alles wat er bij Hem voor onze zintuigen gebeurde was maar schijn. Zie, wat voor een gevolgen het heeft, als men aanstoot neemt aan de werkelijkheid, de waarheid.

Ik wil vergelijken met de Kerk van nu. Ook wij nemen aantstoot, echt aanstoot aan de Kerk van het ogenblik. Wij dachten dat de Kerk echt goddelijk was, dat ze zich nooit kon vergissen en ons nooit kon bedriegen. Ja, het klopt, de Kerk is goddelijk, de Kerk kan de waarheid niet verliezen, de Kerk zal de eeuwige Waarheid altijd bewaren. Maar ze is ook menselijk. De Kerk is menselijk, heel wat menselijker nog dan Onze Heer Jezus Christus was. Onze Heer kon niet zondigen. Hij was de Heilige, de Rechtvaardige bij uitstek. En de Kerk als goddelijke, waarachtig goddelijke instelling brengt ons al de dingen van God, vooral de H. Eucharistie, eeuwige dingen die nooit kunnen veranderen en die de heerlijkheid zullen uitmaken van onze zielen in de hemel.

Ja, de Kerk is goddelijk. Maar ze is ook menselijk. Ze wordt gedragen door mensen die zondaars kunnen zijn, die zondaars zijn en die, zelfs als ze tot op zekere hoogte deel kunnen hebben aan de goddelijkheid van de Kerk (zoals de Paus b.v. door zijn onfeilbaarheid, door het charisma van de onfeilbaarheid, deelneemt aan de goddelijkheid van de Kerk en toch mens blijft), zondaars blijven. Buiten de gevallen waarin de Paus gebruik maakt van zijn charisma van onfeilbaarheid kan hij dwalen en zondigen.

Moeten wij dan aanstoot nemen en met anderen, naar het voorbeeld van Arius, zeggen dat hij dan geen Paus is? Geen Paus, zoals Arius zei: “Geen God, neen, Onze Heer kan niet God zijn”? Zeker, het is ook voor ons zeer verleidelijk om te zeggen: Dat is niet mogelijk, hij kan niet Paus zijn als hij zo handelt.

Of moeten wij doen zoals diegenen die de Kerk zo willen vergoddelijken dat alles erin wordt gezien als volmaakt? Daar alles in de Kerk volmaakt is, zijn ze geneigd te zeggen: Er kan voor ons geen sprake zijn van verzet tegen wat ons door Rome wordt opgelegd. Alles in Rome komt immers van God en alles wat van Rome komt, wat ’t ook zijn mag, moeten we accepteren. Zij die zo spreken doen als diegenen die zeggen dat Onze Heer zo uitsluitend God was dat Hij onmogelijk kon lijden, dat Zijn lijden maar schijn was, dat Hij in werkelijkheid niet heeft geleden, dat Zijn Bloed niet heeft gevloeid. Wat zij die bij Hem waren voor ogen hadden was enkel inbeelding en niet echt.

Zo gaat het vandaag ook met sommigen die dezelfde opvattingen volgen en zeggen: “Neen, er kan in de Kerk niets menselijks zijn, niets kan in de Kerk onvolmaakt zijn.” Ook zij vergissen zich. Zij willen de werkelijkheid niet zien. Tot hoever kan de onvolmaaktheid van de Kerk gaan? Tot hoever, als ik ’t zo mag zeggen, kan in de Kerk de zonde toenemen, de zonde van het verstand, van het misvormd geweten, het gevoel en de wil? De feiten laten ’t ons zien!!

Zoals we (ik zei ’t zojuist al) Onze Heer nooit deze woorden in de mond hadden durven leggen: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Ge me verlaten”, zo hadden we ook nooit gedacht dat het kwaad en de dwaling tot diep in het hart van de Kerk konden doordringen. En toch moeten we zulke tijden beleven. Wij kunnen de ogen er niet voor sluiten. De feiten dringen zich aan ons op en hangen niet van ons af. Wij zijn getuigen van wat er zich in de Kerk afspeelt, van het verschrikkelijke dat er sinds het Concilie is gebeurd, van de zich van dag tot dag en van jaar tot jaar in de Kerk hoger opstapelende ruïnes. Hoe langer het duurt, des te meer verspreiden de dwalingen zich, des te meer verliezen de gelovigen het katholiek geloof. Volgens een onlangs in Frankrijk gehouden enquête wijst de praktijk uit dat er nog maar twee miljoen Franse katholieken echt katholiek zijn.

Wij koersen naar de ondergang. Iedereen loopt gevaar in ketterij te vervallen. Iedereen zal in dwaling geraken omdat, zoals de H. Pius X zei, clerici (van verdacht allooi) in ’t hart van de Kerk zijn doorgedrongen en deze hebben bezet. Ze hebben hun dwalingen kunnen verspreiden, dank zij de hoge posten die ze in de Kerk bekleden. Zijn we verplicht om de dwaling te volgen omdat die ons door het gezag wordt opgelegd? Neen. Evenmin als we verplicht zijn om te gehoorzamen aan onwaardige ouders die iets schandelijks van ons verlangen, evenmin moeten wij naar diegenen luisteren die van ons eisen dat wij ons geloof en heel onze traditie opgeven. Daar kan geen sprake van zijn! Ja, dat samengaan van het goddelijke met het menselijke is een groot mysterie. De Kerk is goddelijk en de Kerk is menselijk. Tot hoever kunnen menselijke gebreken de Kerk, ik zou bijna zeggen de goddelijkheid van de Kerk, treffen? God alleen weet ‘t. ’t Is een groot mysterie. Maar wij moeten de feiten constateren, tegenover die feiten onze houding bepalen en de Kerk, de rooms-katholieke Kerk, nooit opgeven. Nooit mogen wij ons afwenden van de opvolger van Petrus, omdat wij door hem, de bisschop van Rome en de opvolger van Petrus, verbonden zijn met Onze Heer Jezus Christus. Maar als hij, o ongeluk, gedreven door ik weet niet welke geest of vorming of dwang waaraan hij door nalatigheid toegeeft, ons aan ons lot overlaat en ons een weg op wil voeren die ons het geloof doet verliezen, wel, dan mogen wij hem niet volgen. En toch erkennen wij dat hij Petrus is en dat wij hem moeten volgen als hij spreekt met het charisma van de onfeilbaarheid. Maar spreekt hij niet met het charisma van de onfeilbaarheid, dan kan hij zich, helaas, heel goed vergissen! ’t Is niet de eerste keer dat wij zoiets in de geschiedenis hebben kunnen vaststellen.

Wij zijn diep geschokt en gekwetst, wij, die zoveel houden van de H. Kerk, die haar hebben vereerd en nog altijd vereren. Juist daarom bestaat dit seminarie, uit liefde voor de rooms-katholieke Kerk. Daarom bestaan al onze seminaries. Wij zijn diep gekwetst in de liefde voor onze Moeder, omdat wij moeten aannemen dat haar dienaren haar helaas niet meer dienen, ja, haar zelfs benadelen. Wij moeten bidden, wij moeten ons opofféren, wij moeten evenals Maria aan de voet van het Kruis blijven staan en Onze Heer Jezus Christus niet in de steek laten, zelfs als Hij op het Kruis aan ons verschijnt zoals de H. Schrift het beschrijft: “Hij was als een melaatse.” Zie, de H. Maagd Maria had het geloof. Achter de wonden, achter het doorboorde hart zag zij God in haar zoon, haargoddelijke Zoon. Ondanks de wonden van de Kerk, ondanks de moeilijkheden en de vervolging die wij zelfs door kerkelijke gezagsdragers moeten ondergaan laten wij de Kerk niet in de steek. Wij willen gehecht blijven aan onze Moeder de H. Kerk. Wij willen haar, desnoods tegen haar gezagsdragers in, altijd dienen. Wij zullen dezelfde lijn, onze weg, blijven volgen, ondanks de autoriteiten die ons ten onrechte vervolgen. Wij zullen de heilige rooms-katholieke Kerk handhaven. Wij willen haar voortzetten, en doen dat door het Priesterschap, het Priesterschap van Onze Heer Jezus Christus, door de ware sacramenten van Onze Heer Jezus Christus en door Zijn ware catechismus. Waarom, dierbare vrienden? Kijk, ik zelf en alle oudere medebroeders hier zijn allemaal gewijd in de H. Mis van altijd. Ze hebben de macht gekregen om de H. Mis, het heilig Misoffer, op te dragen in de Romeinse ritus van altijd. Vergeet ’t niet!

Ik ben volgens deze ritus gewijd en ik wil er niet los van, ik wil hem niet opgeven. Het is de Mis waarin ik gewijd ben en waarin ik moet blijven leven. Het is waarlijk de Mis van de rooms-katholieke Kerk. Weest trouw, trouw aan Uw H. Misoffer, dat U zoveel troost zal geven, zoveel vreugde, zoveel steun in Uw moeilijkheden, beproevingen en vervolgingen die U misschien wel moet ondergaan. Met de hulp van Onze Heer Jezus Christus zult U de kracht krijgen om al die smaad en spot te ondergaan. Die kracht krijgt U door het H. Misoffer. En als U Onze Heer Jezus Christus aan de gelovigen uitreikt, werkelijk, met Zijn Lichaam en Bloed, Zijn ziel en Zijn Godheid, dan geeft U hun ook de moed om de Kerk te blijven volgen in haar traditie en te leven naar het voorbeeld van alle heiligen die ons zijn voorgegaan, die heilig en zalig verklaard zijn en ons als toonbeelden van heiligheid in de H. Kerk zijn gegeven. Ja, zij zullen ons voorbeeld blijven.

Moge de H. Maagd Maria heel bijzonder ons voorbeeld zijn. Laten wij haar vragen om van U, dierbare vrienden, heilige priesters te maken, priesters zoals zij ze wil zien. Als U haar in Uw leven aanroept, zal ze U beschermen en van U priesters maken volgens het hart van Onze Heer Jezus Christus, haar goddelijke Zoon.

In de naam de Vader en de Zoon en de H. Geest. Amen.